breken (~ met: definitief afscheid nemen van)

werkwoordprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

Hij wil breken met het verleden.

Later heeft zij volledig met hen gebroken.

Ik wilde breken met het burgerlijke.

Waarom brak u met uw eigen traditie?

Zijn moeder heeft nooit met haar zoon gebroken.

Xi doet er alles aan om met die periode te breken.

Na acht jaar breekt hij met de nationale ploeg.

Ik móest wel breken met mijn ouders.

In 2005 braken de leden met elkaar.

Ik heb gebroken met mijn geboorteland.

En toch breekt de paus met het verleden.

In 1966 brak hij radicaal met het abstract expressionisme.

Maar dat is nog geen reden om met tradities te breken.

Zondag brak het parlement evenwel met die traditie.

De moeilijkste scheiding: breken met je ouders.

Durven te breken met het verleden klinkt dapper.

Innemend debuut breekt met alle wetten van de boksfilm.

Dit jaar wordt daar noodgedwongen mee gebroken.

N. heeft daarom met zijn familie gebroken.

Uiteindelijk braken de twee keikoppen met elkaar.

Dus besloot hij drastisch en resoluut om met alles te breken.

Uiteindelijk heb ik volledig gebroken met de politiek.

Hij brak resoluut met de kerk, maar was hij links?

Daarna heeft zij radicaal met hen gebroken.

Even werd gebroken met de heersende conventies.

bepaling

Waar, wanneer, hoe, enz. breekt men?

adverbium

definitief

eindelijk

radicaal

resoluut

volledig

voorzetselobject

Met vaste prepositie (vast voorzetsel)

met:

beleid

conventie

elkaar

familie

gewoonte

idee

kerk

ouder

partij

regel

(4 meer)

verbum auxiliare of groepsvormend verbum

Welk hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord wordt vaak gebruikt bij breken?

moeten

proberen

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.